Met leerwegondersteuning een regulier vmbo-diploma

Maart 2019
Het College St. Paul is gespecialiseerd in het begeleiden van leerlingen die extra ondersteuning of leerwegondersteunend onderwijs nodig hebben. Dit maatwerk maakt deze gewone vmbo-school bijzonder.  
Deze kleine vmbo-school biedt aan zo’n 270 leerlingen een veilig thuis. De leerlingen kunnen er rekenen op de nodige didactische en sociaal-emotionele ondersteuning om zo met succes en plezier hun middelbare schooltijd te doorlopen. “Wij zijn een bijzondere school binnen het regulier onderwijs”, zegt Froukje Luske, afdelingsleider Zorg, en onder meer verantwoordelijk voor de zorgstructuur op de school. “Bijna alle leerlingen hebben leerwegondersteuning nodig. Het gaat bijvoorbeeld om leerlingen met ADD, dyslexie, autisme, een traumatisch verleden, een moeilijke gezinssituatie of hechtingsproblematiek. Velen van hen hebben een dubbele diagnose. Ons onderwijs is helemaal ingericht op dit type leerlingen.”
 
Prikkelvrij
De ondersteuning op maat is allereerst letterlijk terug te zien in de indeling van het moderne schoolgebouw. Op de begane grond is de bovenbouw gevestigd, op de eerste verdieping de onderbouw. De klaslokalen liggen rondom een leerplein met computers en lockers. Er hangt weinig aan de muren, de plafonds zijn geluiddempend gemaakt en alles is wit geschilderd om zo min mogelijk prikkels en afleiding te veroorzaken. “De klassen zijn klein, met niet meer dan zeventien leerlingen. In de onderbouw zijn het de leraren die voor de lessen van klaslokaal verwisselen en niet de leerlingen. Dit maakt de overstap vanaf de basisschool kleiner. Dit gaat natuurlijk niet op voor gym, techniek, koken en ook niet voor biologie en tekenen. Verder hebben de onder- en bovenbouw op andere tijden pauze. Dit alles geeft overzicht, structuur en een gevoel van veiligheid”, zegt Luske.

 

Aan het leerplein op de eerste etage ligt ook het glazen kantoortje van Annieck Dekker, leerlingbegeleider van de onderbouw. “We noemen het de ‘vissenkom’. Ik zit in het zicht en iedereen die ergens mee zit, kan binnenlopen. Dit gebeurt meerdere malen per dag. Bijvoorbeeld wanneer een leerling tijdens de les heel boos of verdrietig is geworden en niet in de klas kan blijven, of als hij of zij uit de klas is gestuurd. Op die momenten vormt mijn vissenkom een veilige haven waar zij steun kunnen krijgen of hun verhaal kunnen doen. Het blijft tussen ons, tenzij het probleem te ernstig is en er actie ondernomen moet worden. Maar ik luister niet alleen, ik spreek ze ook aan op hun gedrag.”
 
Helikopterview
Dekker is veel meer dan een vertrouwenspersoon voor de leerlingen met (acute) kleine en grotere problemen. Zij vormt een belangrijke schakel tussen de leerlingen, het onderwijsteam en de zorgverleners. “Ik heb een helikopterview: ik ken van elke klas de samenstelling en van elke leerling het ontwikkelingsperspectiefplan (OPP).” Hierin staat de aanpak van de begeleiding omschreven op onder andere didactisch en sociaal-emotioneel gebied.
“Ik houd in de gaten of een (nare) gebeurtenis een incident is, of dat zich een structureel probleem vormt. Ik let op of een leerling slechter gaat presteren, zich anders gaat gedragen, enzovoorts. Zo nodig haak ik de mentor aan en eventuele andere betrokken collega’s, ouders en hulpverleners. Maar een mentor kan mij ook inschakelen als hij zich zorgen maakt om een leerling en er misschien meer hulp nodig is.”
 
Maatwerk
“De mentor is echter het eerste aanspreekpunt voor de leerlingen en de ouders. En hij is hoofdverantwoordelijke voor de ontwikkeling van elke leerling op onderwijsniveau, dus cijfers, verzuim en gedrag, en voor het pedagogische klimaat in de klas”, zegt Froukje Luske. Om dat te bevorderen, biedt de school praktisch maatwerk voor iedere leerling die daar behoefte aan heeft. Luske: “We hebben de ‘study buddy’, een houten scherm dat je op een tafeltje kunt uitklappen. Leerlingen kunnen zich dan afschermen van de rest en zich beter concentreren op hun werk.” Annieck: “En we hebben koptelefoons die omgevingsgeluid dempen en er zijn wiebelkussens. Ook werken we soms met een Pazz-up-kaart. Dit is een afsprakenkaart die een leerling met een docent kan maken om zo nodig op tafel leggen als de leerling een time-out nodig heeft of als de docent vindt dat het nodig is. Dat kan gaan om tien minuten muziek luisteren waardoor de leerling weer rustig wordt, even lezen, of bijvoorbeeld vijf rondjes om de school wandelen om uit te razen. Ook kan erop staan welke hulp een leerling nodig heeft op gebied van dyslexie. Mag hij bijvoorbeeld gebruikmaken van het speciale computerprogramma Kurzweil, dat helpt bij schrijven en lezen.”
 
Een ander standaard maatwerk in de klas is de emotie-thermometer, Luske: “Alle leerlingen maken met de mentor een emotie-thermometer met drie kleuren om inzicht te krijgen in hun emoties. Samen wordt bepaald en vastgelegd wat de kleuren groen, oranje en rood inhouden en wat je als leerling en als docent kan doen in die situaties.”
 
Leerlingbespreking
Froukje Luske: “Wanneer een leerling ondanks al het maatwerk op een bepaald moment toch niet tot leren komt of om welke reden dan ook opvalt, dan kan de mentor hem of haar aanmelden voor een ‘JES-overleg’. In dit tweewekelijkse overleg bespreken we leerlingen die mogelijk extra zorg nodig hebben. Dit gebeurt met toestemming van de ouders. Ik bespreek met onder meer jeugdhulpverlening, de leerlingbegeleider, onze orthopedagoog, psycholoog, schoolmaatschappelijk werk, leerplicht en de schoolarts wat er aan de hand is en hoe we de leerling het beste kunnen helpen.”
Dekker: “Het kan om iets kleins gaan. Een meisje dat heel boos is, maar zich niet kan uiten, kan erg geholpen zijn met een aantal gesprekken met een psycholoog. Of het gaat om een leerling die opstandig en brutaal is en zich niet laat aanspreken op zijn gedrag. En wat is er nodig om langdurig zieke kinderen, of leerlingen die vaak verzuimen, te helpen bij het behalen van hun diploma. Want dat is toch uiteindelijk het doel, we blijven een school en geen hulpverleningsinstantie.”
 
Alternatief onderwijs
Toch zijn er leerlingen die ondanks alle extra ondersteuning niet meer vooruitkomen. Annieck: “Dit zijn bijvoorbeeld leerlingen met een ernstige thuissituatie die zo’n impact heeft op hun leren, dat zij volledig vastlopen. Hoe graag we deze leerlingen ook willen helpen, we kunnen niet de problemen van thuis oplossen.” Froukje: “En leerlingen die agressief zijn naar hun klasgenoten en docenten kunnen niet blijven. Of leerlingen waarvan we niet duidelijk krijgen wat de problematiek is waardoor ze niet meer kunnen leren. De vervolgstap is dan overplaatsing naar een andere school, of het Flexcollege. Dit is de bovenschoolse voorziening van ons samenwerkingsverband. Een andere optie is een praktijkschool of een plek waar ze dagbehandeling kunnen krijgen.”
 
Maar uiteindelijk halen de meeste leerlingen dankzij de intensieve ondersteuning na vier jaar hun vmbo-diploma. Luske: “Ze stromen door naar een havo of mbo. Dat lukt doordat we een kleine school zijn waar iedereen elkaar kent en elke docent en medewerker als doel heeft leerlingen de kans te geven zich zo goed mogelijk te ontwikkelen. Dat is onze kracht.”


Tekst Sietske Arkenau
Fotografie Lou Wolfs